SALLY NOACH

Het ongeloof

'Recensies'

Een lintje voor Sally Noach…..
dat is de titel van een artikel dat Sierk Plantinga (tot 2013 archivaris bij Nationaal Archief, Historisch Onderzoeker) publiceerde in een Liber Amicorum voor een collega bij Buitenlandse Zaken.

Een lintje voor Sally Noach*
Lange tijd was het mij onduidelijk wat er nou precies waar was van het verhaal dat de ruzie tussen Sally Noach en Buitenlandse Zaken in Londen tijdens de oorlog zo hoog was opgelopen dat er voor Sally geen lintje meer van af kon. Jarenlang was ik alert op stukken daarover maar ik had nooit in de archieven van BuZa of andere ministeries het rokende pistool aangetroffen. Totdat ik de dit jaar verschenen biografie over Sally had gelezen.

Sally Noach was een Nederlandse Jood die na de Duitse inval na wat omzwervingen uiteindelijk in Lyon, Vichy-Frankrijk, terecht kwam waar hij bij het Nederlandse consulaat door de niet-Nederlands sprekende consul dankbaar werd ingehuurd om als tolk te functioneren. Hij ontpopte zich vervolgens als een volleerd consul. Hij had de auteur kunnen zijn van het boek ‘How to bluff your way in French prisons’. Sally had meteen door dat de strijd tegen de Nazi’s en hun handlangers in Frankrijk, de xenofobe en antisemitische aanhangers van Pétain en Laval, een strijd was op leven en dood. En in een oorlog, zo vond hij, waren alle trucjes geoorloofd om het er levend vanaf te brengen. Hij regelde en ritselde valse papieren, ook valse Nederlandse paspoorten -een doodzonde volgens de Nederlandse bureaucraten in Vichy, Lissabon en Londen- zodat de uitgewekenen visa konden krijgen om uit de Franse valkuil te ontsnappen. Hij haalde met zijn aplomb honderden Nederlanders, Joden en niet-Joden en ook Engelandvaarders, uit de Franse gevangenissen, bezorgde hen eten en regelde onderdak. Hij betaalde dat veelal uit eigen zak, deed daarom zaken op de zwarte markt wat door de Nederlandse officials in Vichy en Londen weer meesmuilend werd bekeken; ‘geen beschaafd Mensch‘ was hun oordeel. Sommigen van deze beschaafde officials brachten eerst hun tafelzilver in veiligheid om pas daarna aandacht te schenken aan de Nederlandse vluchtelingen. Sally Noach is samen met Jean Weidner van de Dutch-Paris organisatie een lichtend voorbeeld van wat praktisch vernuft vermocht bij het redden van onschuldige mensen in Frankrijk. De menselijke maat avant la lettre. 

Toen Sally dan in december 1942 in Londen arriveerde, men zocht hem in Vichy, werd hij dan ook bij zijn eerste bezoek aan Oranjehaven prompt tot erelid benoemd door de daar aanwezigen. Maar een kritisch rapport dat hij op verzoek voor koningin Wilhelmina had geschreven over de misstanden bij de Nederlandse officials in Vichy-Frankrijk viel niet in goede aarde. En Sally nam ook geen blad voor de mond: hij gaf ronduit zijn mening. Dat bezorgde hem vrij entree bij koningin Wilhelmina, maar bij BuZa sloten zich de rijen; Van Kleffens was boos op Sally Noach omdat hij dit kritische rapport niet eerst naar hem had gestuurd. 

De minister van Justitie Van Angeren deed op 30 december 1942 aan premier Gerbrandy het voorstel om Sally Noach te belonen voor zijn zeer belangrijke werk. De ambtelijke informatieronde begon. Er kwamen allerlei bezwaren; het was nog te vroeg; had Sally Noach als uitvoerder van door anderen voorbereide maatregelen opgetreden, of was het allemaal op eigen initiatief geweest ? Dat moest eerst uitgezocht worden. BuZa meende dat eerst ná de oorlog beoordeeld kon worden hoe belangrijk Sally Noach was geweest voor de vluchtelingen. Van Harinxma in Lissabon was faliekant tegen. Hij achtte het ‘hoogst bedenkelijk’ dat Noach op eigen initiatief gemanipuleerd had met Nederlandsche paspoorten ‘om de menschen te helpen’ en bovendien was Noach volgens hem ‘uitsluitend werkzaam geweest als ondergeschikt employé van het Office Néerlandais te Lyon’, die zich bovendien ‘tydig in veiligheid wist te stellen’.

Kortom, het kwam er niet van, ook niet ná de oorlog. Een zwijgen alom over een koninklijke onderscheiding. Geen Kruis van Verdienste zoals bijna alle Engelandvaarders want hij was niet uit bezet gebied vertrokken. Ook geen Erkentelijkheidsmedaille (per K.B. ingesteld voor buitenlanders die Nederlanders hadden geholpen en voor Nederlanders die in het buitenland Nederlanders hadden geholpen); met de uitvoering was immers BuZa belast. En of hij ooit daarvoor is voorgedragen, zullen we nooit weten: een overijverige archiefambtenaar van BuZa heeft al deze persoonsdossiers in de papierversnipperaar gegooid, het betrof hier immers geen hoofdlijnen van het beleid.

Uiteindelijk is door toedoen van het bestuur van het Genootschap Engelandvaarders de schande uitgewist: via beschermheer prins Bernhard benoemde koningin Juliana Sally Noach op zijn 60e verjaardag in december 1969 tot Erekruis in de Huisorde van Oranje. Een hoogtepunt voor een groot koningsgezinde Oranje-fan. En hiervoor was geen medeparaaf nodig van de minister van Buitenlandse Zaken.

Sierk Plantinga

*n.a.v. Jacques Noach, Het ongeloof. Sally Noach hielp honderden Joodse en niet-Joodse Nederlanders vluchten, Uitgeverij Verbum Hilversum 2022. Tevens verkrijgbaar als e-pub met een gratis digitaal side-boekje, Sierk Plantinga, ‘Zoolang men hier is, blijft men in gevaar’. Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk.

In de Nieuwsbrief De Schakel (Nummer 10, September 2022) van Museum Engelandvaarders heeft Victor Laurentius een recensie van mijn boek geschreven. Victor schrijft daarover op zijn Facebook pagina: een prachtig boek over Sally Noach, een van onze grootste helden (maar tijdens zijn leven van overheidswege nooit onderscheiden omdat hij de euvele moed had de consulaire regels te overtreden door vervalste identiteitspapieren te verstrekken en daarmee honderden levens te redden).

Engelandvaarder Sally Noach (1909-1980) behoort tot dezelfde categorie als Jan Zwartendijk: hij redde, in strijd met de consulaire regels, honderden levens, maar kon in plaats van op erkenning rekenen op een reprimande. Daar houdt de overeenkomst met Zwartendijk op, want bij Noach speelden nog twee andere zaken: hij was een Jood en had ook nog eens openlijk kritiek op leden van de Nederlandse diplomatieke dienst, die in zijn ogen verzuimden hun best te doen voor vluchtelingen uit Nederland. Een volkse tapijthandelaar uit Zutphen die de hoge heren de waarheid kwam vertellen, een gotspe!

Het boek Het ongeloof, geschreven door Jacques Noach, de zoon van Sally, is een poging tot eerherstel. De titel verraadt een belangrijk aspect van dat onrecht, namelijk het niet geloofd worden, of nog erger: als leugenaar en charlatan te worden weggezet. Het is overigens niet voor het eerst dat zijn verhaal op papier is gezet. Onder de titel Het moest gedaan worden verschenen in 1971 de door Max Haringman opgetekende oorlogsherinneringen van Sally Noach. De tekst van dit niet meer te verkrijgen boek is integraal opgenomen in Het ongeloof, tezamen met twee rapporten die Sally in oorlogstijd schreef over zijn moeizame ervaringen met vertegenwoordigers van de Nederlandse diplomatieke dienst. Het lijkt een beetje dubbelop, maar de opzet van Jacques Noach is weloverwogen: in ‘Deel 1’ onderbouwt hij het verhaal van zijn vader met archiefmateriaal. Hij komt daarmee tegemoet aan de door onderzoeker Sierk Plantinga uitgesproken wens bewijzen aan te leveren. Tot nu toe was het immers het woord van Sally tegenover dat van – met name – de diplomaten Ate Sevenster en Binnert Philip Baron van Harinxma thoe Slooten.

Het beeld dat Jacques Noach schetst is dat van een reizende tapijthandelaar die vanuit innerlijke overtuiging besluit het groeiende leger vluchtelingen en Engelandvaarders in het zuiden van Frankrijk een handje te helpen. Bij het uitbreken van de oorlog woont Sally bij zijn ouders in Brussel, maar anders dan zijn ouders kiest hij ervoor naar het op dat moment nog niet bezette Parijs te gaan. Als tapijt- en stoffenhandelaar kent hij goed de weg in Frankrijk, weet hoe hij met de Fransen moet omgaan en is met zijn vlotte babbel gewend dingen voor mekaar te krijgen. Op doortocht naar het zuiden stuit hij in Toulouse echter op de eerste echte hindernis: het Nederlandse consulaat. Hij meldt zich bij consul-honorair A.J. van Dobben met het verzoek naar Engeland te mogen om dienst te nemen bij de Nederlandse strijdkrachten. Dobben kan hem daar echter niet bij helpen. omdat zijn bevoegdheden ‘niet berekend zijn op een oorlogstoestand’. Sally keert terug naar Parijs, maar loopt daar ook tegen gesloten deuren en vertrekt, met het oog op de oprukkende Duitsers, ten tweede male naar Toulouse. Die stad stroomt intussen vol met vluchtelingen uit het noorden. Dan besluit hij naar het oostelijk van Toulouse gelegen Lyon te gaan.De auteur stelt zich terecht de vraag waarom Lyon en waarom niet naar Spanje: Sally spreekt geen Spaans en vertrouwt het Franco-regime niet, Lyon daarentegen is vertrouwd terrein en bovendien, verklaart de auteur, heeft Sally gehoord dat daar veel Nederlanders zijn die om hulp verlegen zitten. Dit laatste argument gold uiteraard ook voor Toulouse, dus is niet geheel overtuigend, maar het is niet onaannemelijk als je uitgaat van de redenering dat Sally zich in Lyon nuttiger dacht te kunnen maken dan in Toulouse. Dat zou erop kunnen wijzen dat hij reeds bekend was met de situatie van het Nederlandse consulaat aldaar: de consul-honorair, Léopold Lambotte, was een Fransman die geen woord Nederlands sprak en logischerwijs niet bij machte het vluchtelingenprobleem in zijn eentje het hoofd te bieden. Sally meldt zich bij Lambotte en weet gedaan te krijgen dat hij wordt aangesteld als onbezoldigd medewerker van de consul. Bewijs hiervan is een brief de dato 5 mei 1941, waarin Lambotte verklaart dat Sally als tolk-vertaler is verbonden aan het inmiddels tot Office Néerlandais gedegradeerde consulaat. Lambotte schrijft letterlijk dat ‘ses services nous sont indispensables’, kortom: onmisbaar. 

Aanvankelijk meldden zich gemiddeld zo’n 10 tot 20 Engelandvaarders per week in Lyon, op dat moment als deel van Vichy-France nog onbezet door de Duitsers. De doorstroom via het inmiddels opgerichte Nederlands Centrum voor Vluchtelingen in Toulouse stagneerde intussen en Sally moet al snel begrepen hebben dat reguliere hulp met inachtneming van de consulaire regels totaal geen zin had. Een mens in nood moet geholpen worden en nood breekt wetten, aldus zou je zijn houding kunnen omschrijven. Zijn onorthodoxe benadering was een combinatie van een enorme dosis bluf met een grote behendigheid in het ‘fiksen’ van dingen. Het vervalsen van reisdocumenten bijvoorbeeld, of door zijn consulaire status wat gewichtiger voor te stellen dan die in werkelijkheid was. Dit alles was tegen het zere been van de diplomatieke dienst en verklaart in hoge mate de afkeer die zich tegen hem ontwikkelde binnen de diplomatieke dienst. In die context moet je de omschrijving ‘charlatan’ plaatsen, terwijl er ook aantoonbaar antisemitisme doorklinkt in de kritiek op Sally. Tevens werd hem verweten dat hij zwarthandelaar was, wat in de ogen van de doorgaans adellijke diplomaten iets verwerpelijks was. Daarbij moet echter worden aangetekend dat Sally op grond van zijn Franse verblijfsvergunning geen beroep mocht uitoefenen en zijn werk op het Office Néerlandais onbezoldigd was, maar intussen wel hoge kosten moest maken om zijn werk te kunnen doen. Toen hij later in Londen om een onkostenvergoeding vroeg, werd dat afgewezen met als reden dat Buitenlandse Zaken hem nooit om zijn diensten gevraagd had.

In september 1942 werd de grond te heet onder zijn voeten en week Sally uit naar Lissabon. Net op tijd, want in november werd het vrije deel van Frankrijk ingelijfd bij het bezette deel. Op 25 september schrijft hij een verslag over zijn ervaringen en veegt daarin de vloer aan met bepaalde leden van de diplomatieke dienst. Kort daarop doet hij nog een keer zijn verhaal tegenover ondervrager Oreste Pinto en in 1943 schrijft hij een kritisch rapport dat rechtstreeks naar koningin Wilhelmina gaat.

Die kritische rapporten zorgen ervoor dat Sally Noach in regeringskringen als ‘ónbeschaafd’ en ‘niet welopgevoed’ wordt aangemerkt. Een mogelijk gevolg daarvan is dat hij niet het Kruis van Verdienste ontving, alhoewel een voorwaarde was dat je dan uit bezet gebied vertrokken moest zijn, en dat was hij niet. Die voorwaarde gold niet voor de Erkentelijkheidsmedaille, maar ook die werd hem niet toegekend.

Erkenning kreeg hij wel van de Engelandvaarders, die hem erelid maakten van hun Londense sociëteit Oranjehaven. En van koningin Wilhelmina, die gecharmeerd was van zijn ongegeneerde eerlijkheid. De enige onderscheiding die hij bij leven ontving was het Erekruis in de Orde van Oranje, die wordt toegekend wegens verdiensten voor het Koninklijk Huis. Van regeringswege bleef het stil.

Getuige vele bedankbrieven en verslagen hielp Sally honderden Joodse vluchtelingen en Engelandvaarders uit Duitse handen te blijven. Al lezend kan ik alleen maar diep ontzag opbrengen voor de moedige en inventieve Sally Noach, voor wie geen moeite teveel was om mensen uit de penarie te helpen.

Victor Laurentius

Traces of War heeft onderstaande bespreking van Frans van den Muijsenberg online gezet:

Recensie “Het Ongeloof” door Cor Sinnema – permanentdiaken in het bisdom Den Bosch
Katholieke Raad voor het Jodendom.
“Het is een verrijking voor de geschiedenis”.

Zij vonden dat de ‘onbeschaafde’ gelegenheidsdiplomaat zich meer aan de (Duitse en Vichy-Franse) regels moest houden. De verarmde en vaak antisemitische adellijke top van het corps diplomatique en de ongeschoolde tapijt- en stoffenverkoper Sally Noach spraken niet dezelfde taal.

Zoon Jacques Noach (Londen, 1946) deed uitgebreid archiefonderzoek naar het ‘dossier Sally Noach’ en kwam tot ontluisterende onthullingen over de hulp die ‘Londen’ bood aan Nederlandse vluchtelingen. Als het aan de ambtenaren had gelegen was iedereen vanuit Frankrijk direct teruggestuurd naar het bezette Nederland. Ook was er onmiskenbaar sprake van beschavingsantisemitisme. Ambtelijk werd Sally gekarakteriseerd als ‘geen beschaafd/ welopgevoed mensch’. Consul-generaal der Nederlanden in Frankrijk, Ate Sevenster, formuleerde het helder: ‘Joodse vluchtelingen waren “de minste lui”.’

In 1969 kreeg Sally Noach van koningin Juliana en prins Bernhard het Erekruis van de Huisorde van Oranje. Van regeringswege kreeg hij slechts minachting. In 1971 publiceerde hij zijn oorlogsherinneringen met als titel Het moest gedaan worden. Dit boek is integraal opgenomen.